© DF-Koekelare
Arthur Coussens
Arthur Coussens is op 1 september 1883 geboren in Tielt,in een gezin van ' te lande '. Zijn vader Joannes was, zoals men dat toen noemde, een "landman". Een "landman" had meer gronden in eigendom dan een gewone landbouwer. Joannes Coussens was een eerste keer getrouwd met een Demeulemeester. Arthur echter was de zoon uit het tweede huwelijk van Joannes met Romania Blondeel. In Tielt deed Arthur zijn humaniorastudies. Hij stond er bekend als een leerling met een buiten-gewone aanleg voor talen. Hij had er ondermeer Cyriel Verschaeve als bijzondere leraar. Een dúbbele invloed kreeg hij er : zowel zijn uitgesproken Vlaamsnationale overtuiging kreeg hij mee, maar tegelijk ook een realistisch gevoel voor volkse en maatschappelijke problemen in het arme Vlaanderen van toen. 1 Hij kreeg daar ook zijn priesterroeping. Daartoe volgde hij eerst de cursus filosofie in het Roeselaarse Kleinseminarie om daarna zijn priesteropleiding te krijgen in het Grootseminarie te Brugge. Om die dure studies te bekostigen sprong de familie Demeulemeester bij, met name broer en zus van de eerste vrouw van vader Joannes. Arthur zou hen nog op zijn sterfbed hiervoor bedanken. Die opleiding tot priester kreeg hij tussen 1902 en 1907. Arthur was toen tussen 19 en 25 jaar. Op 21 december 1907 werd hij tot priester gewijd. Daarna werd hij leraar in het Sint-Lodewijkscollege te Brugge. Hij bleef er 7 jaar, tot oktober 1914. Toen vluchtte hij weg van het oorlogsgeweld en trok naar Zeeland, waar hij aalmoezenier was bij de Belgische vluchtelingen. Wat later werd hij aalmoezenier en brancardier bij het Belgisch leger zelf in Calais. Om er - zo zegt hij zelf - "te sjouwen door bloed en stikgassen op de voorposten, als een toonbeeld van offervaardige aalmoezenier". Bij een aanval werd hij echter dermate aangetast door gifgas dat hij er een longziekte opdeed. Dit zou hem zijn vroege dood kosten, met name in 1926. Hij werd net geen 44 jaar oud. Na de oorlog werkte hij wel " slag om slinger ". Hij wist allicht best wat er aan 't groeien was in zijn borst en hij wilde iedere dag ten goede besteden. Hij werd benoemd tot leraar Engels en Duits in het Kleinseminarie te Roeselare. Hij was er heel graag gezien, maar de bisschop van Brugge, Mgr. Waffelaert stuurde hem op 28 december 1922 naar Ichtegem als onderpastoor. Allicht was hij volgens het bisdom wat té Vlaamsgezind voor het onderwijs ... Dit was voor Arthur wel een levensommekeer, maar ... het lukte hem. Al heel vlug kreeg hij als onderpastoor de ongeveinsde vriendschap van Jan en Alleman. Zijn pastoor toen was August Willaert. Hij stierf in 1925 en werd als pastoor opgevolgd door Pius-Alfonsus Snick. De graftombe van pastoor Snick staat hier net om de hoek van de kerk. Pastoor Willaert ligt begraven naast Arthur Coussens hier op het kerkhof. In het jaar 1926 stierf ook Arthur Coussens. 2 Een vriend die Arhur kort voor zijn dood bezocht, getuigt " Deze keer - och God, ik wist niet dat 't de laatste keer was - ging zijn vertelling maar traag. De zon boorde door de gordijntjes en stak een vuurglans in zijn ogen ; zijn mond lag nog vast gespannen, maar ik voelde dat iets diep in hem niet in orde was. En dat was triestig. Ik wist echter van waar het kwam ! Arthur Coussens was aalmoezenier geweest... en die zo vaak vervloekte oorlog had het hem gelapt. Die bedrieglijke blos op zijn wangen, die piepende borst... Toen ik een goeie maand later zo koeltjes hoorde vertellen : Tuurtje Coussens heeft het moeten laten steken. Ichtegem heeft veel verloren !... " Dit klopt : hij was een sociaal-bewogen priester, heel werkzaam. Hij werd dan ook ontzettend graag gezien. " ........